Ik teken al een heel leven, maar sinds 1995 pak ik het serieus aan. Ik ging schilderen en volgde cursussen en masterclasses bij MK24 en de Wackers Academie. De eerste tijd vooral bij etsdocent Guus Glass, daarna nam ik lessen bij zoveel mogelijk verschillende docenten.
Ik werk naar de natuur en/of naar foto’s (bijna steeds van eigen hand). Het maakproces houdt in dat ik onderzoek wat me eigenlijk zo boeit aan het door mij uitgekozen en ingekaderde beeld. Hoewel de eerste opzet er vaak snel staat, kan het maanden of zelfs meerdere jaren duren voor ik tevreden ben. Eventueel gebruikte foto’s liggen dan allang op de ateliervloer.
Mijn werkwijze vindt zijn oorsprong in een workshop van de toenmalige Wackersdocent Hans van Amstel in Durgerdam. Hij liet ons door het lintdorp fietsen en razendsnel schetsjes maken van plekken die ons opvielen, al was het maar vanuit een ooghoek. De interessantste werkten we in de rest van de week uit tot een schilderij. Het leerde mij dat ons oog vlugger beslist dan ons denkende brein. Het ziet in een flits beslissende details waarvan je pas na veel nadenken en proberen ontdekt dat ze in de compositie niet gemist kunnen worden. In dat nadenken en proberen gaat al die tijd zitten. Het is een soort zuiveringsproces.
Ik ben niet naïef in mijn gebruik van foto’s, daarvoor heb ik te veel van David Hockney gelezen. Ik pas perspectieven en horizonnen aan, deel beelden op in fragmenten, herhaal delen et cetera. In sommige schilderijen resulteert dat in een suggestie van beweging of tijdsverloop.
Mijn oudere werk is verstild en heeft rustige composities. Het recentste is rijker aan details. Ik ben ook elementen en dramatische effecten gaan toevoegen. Maar de basis blijft observeren, analyseren en noteren, met veel oog voor compositie, toon, ritme en dynamiek.
Met dit alles probeer ik beelden te maken die overeind blijven en niet vervelen.
Als er symboliek in mijn werk zit, heeft het meestal mij opgezocht, in plaats van andersom. Vaak gebeurt dat pas bij het verzinnen van de titel (“12 september” is een sterk voorbeeld). Ook als foto’s mijn vertrekpunt waren, en ondanks mijn tijdrovende werkwijze, ben ik aan het eind soms zelf verbaasd door wat ik heb gemaakt.
“Paradiso” is hierop een uitzondering. Toen ik eraan begon, in mei 2018, wist al bij het schetsen dat mijn simpele fotootje van een meubelzaak alleen maar het centrum zou worden van een groter geheel. Al gauw daarna merkte ik dat ik bezig was met een gefantaseerde allegorie over Europa. Daar heb ik me vervolgens volledig aan overgegeven. Ook “On fame” is een allegorie, dit keer over het verschijnsel roem.
In 2010 maakte ik elf schilderijen van de Enneus Heermabrug, alias Brug nr. 2001, alias “de beha”, een ontwerp van de Britse architect Nicholas Grimshaw. Met zijn twee overspanningen van 75 meter is het een van de grootste bruggen van Amsterdam. Sinds 2001 verbindt hij het nog jonge IJburg met het Zeeburgereiland en de rest van de stad. Je kunt deze serie als een hommage aan de ontwerper beschouwen.
Series die nog in opbouw verkeren, gaan over riet en over de voormalige zuiveringsinstallatie op het Zeeburgereiland. Mijn onderwerpen zijn niet vergezocht.
Expositie
Van 12 tot en met 26 november 2023 exposeerde ik in galerie Overstroom, Entrepotdok 33, Amsterdam. Het thema van de tentoonstelling was ‘Onderweg’.
Ter gelegenheid daarvan is dit filmpje gemaakt over mij en mijn werk:
Bij de opening las poeziekenner Harrie van Haaster vier gedichten voor die hij associatief bij het tentoongestelde werk en het thema ‘Onderweg’ vond passen: ‘De moeder de vrouw’ van Martinus Nijhoff, ‘Tram’ en een titelloos gedicht van Patricia Lasoen, en een titelloos gedicht van Erik Jan Harmens. Ze gaan zo:
Van Martinus Nijhoff:
De moeder de vrouw
Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in ’t gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd-
laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.
Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer,
en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.
Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.
Van Patricia Lasoen:
Wij talmen niet
geen tijd voor loos getreuzel
tijdens onze tocht
haastig vluchten wij voort
als wild als wolken
in september.
Ons doel is ongekend
en zonder boodschap
maken wij de reis
van niets naar niets.
Een beetje pijn,
een beetje stof en water,
schrammen op onze tere huid
zijn tastbaar –
en dan nog.
Tram
Zeer eigenaardig
hoeveel mensen kijken
naar de tram
die hier toch elke dag
voorbijkomt.
zwijgzaam – een beetje ongerust
misschien, dat hij eens zou ontsporen.
de oude, op pantoffels
schrijlings over een stoel;
de kruidenier, verongelijkt,
een stapje achteruit,
vlug een tomaat betastend;
en de twee metselaars op het kozijn,
1 rokend en 1 kauwend
misschien is het de eerste mist
die hen wantrouwig maakt,
alsof organisch glas
een muur tussen hen vormt.
Van Erik Jan Hermens:
mijn handen op het stuur op de twee en tien
het oude model chrysler de blokkendoos op wielen
de kop op de kap de wissers de claxon luchtalarm
er vliegt iets voorbij een jet
het biedt ons iets aan een tienponder
wij zijn spleetogen zonder naam zonder uitspreekbare naam
zonder naam die iets bij je losmaakt
alle treinreizigers vergeten hun tulpen
de vrouw van de conducteur en haar vuilbak vol cellofaan
haar kleinevliegjesplaag
haar schuinafgesneden bestaan
ik zou wat kunnen kerven rond je navel maar dat is vast al ‘ns gedaan
negatief eigen vermogen
als je meer schrapt dan je schrijft hou je uiteindelijk minder dan niets over
deel wat je ziet in vakken op en tracht ieder vak afzonderlijk te duiden
Referenties
Het gedicht De moeder de vrouw van Martinus Nijhoff (1894-1953) komt uit de bundel Nieuwe gedichten, uitgegeven door Em. Querido’s Uitgevers-Maatschappij in 1934.
De twee gedichten van Patricia Lasoen (1948-2023) komen uit haar bundel Veel ach en een beetje O, uitgegeven door Manteau in 1978.
Het gedicht van Erik Jan Hermens (1970) en de fragmenten die erop volgen komen uit de gedichtencyclus outperformer, een gospel, dat staat in zijn bundel Underperformer, uitgegeven door Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar in het jaar 2005.
Wat anderen zeiden
Bij een paar gelegenheden presenteerde ik werk aan een panel van deskundigen, hiertoe in de gelegenheid gesteld door MK24. Ook van andere zijden en bij latere gelegenheden ontving ik commentaar.
Over Dakgezicht met dreigende hemel:

“Heel dreigend is het werk. Heel mensloos.” (Jan Teeuwisse, directeur Beelden aan Zee)
Over Fabriek met groene lucht:

“Je maakt van iets niet uitzonderlijk moois iets moois. Goed uitgewerkt in de verf.” (Hans Rooseboom, conservator fotografie Rijksmuseum)
“De meeste mensen zullen de gebouwen die je gekozen hebt niet mooi vinden. Jij verheft het. Een voornaam en indrukwekkend schilderij.” (Jan Teeuwisse)
Over Muziekgebouw aan ’t IJ:

“Fantastisch! Ik moet denken aan Tjebbe Beekman. Die doet hetzelfde, maar met meer vaart. Maak er alsjeblieft nog een stuk of tien. Heel goed.” (Verzamelaar Steven van Teeseling)
“We hebben er hier onze screensaver van gemaakt.” (Boudewijn Berentsen, zakelijk directeur Muziekgebouw aan ’t IJ)
Over het wintergezicht uit het vierluik Oosterpark:

“Dit is kunst, en ook heel kundig.” (Sam Drukker bij de opening van een expositie van schilderijen over het Oosterpark, in het stadhuis van Amsterdam)
Over Transfer at Frankfurt (thinking of Edward H.):

“Een stoere Hopper.” (Sam Drukker)